28 mei 2009

Flessen

Opslaan van wijn is van alle tijden. Je kunt natuurlijk na het persen en gisten het vat aan de mond zetten en ladderzat onderuit gaan, maar de echte liefhebber schrikt daar toch wel van terug. In de oudheid van de wijnbouw werd de godendrank bewaard in amforen (van rode klei gebakken kruiken), houten vaten of stenen kuipen. Zelfs in leren zakken was wijn enige tijd goed te houden.

Kostbare wijnen konden pas langer bewaard worden toen de handgeblazen glazen fles volwassen werd, zo rond het midden van 17e eeuw. Die werd met kurk of een houten plug en bindtouw afgesloten. De blazer bepaalde de vorm en het was dus een allegaartje aan inhoudsmaten. Het was notabene een Engelsman, Henry Ricketts uit Bristol, die in 1821 een patent kreeg op een mal waarmee flessen gelijkvormig en sneller geproduceerd werden. Lange tijd heette zijn vinding de "fles van Bristol".

Frankrijk kent sinds die tijd twee basisvormen: de lange slanke Bordelaise Grand Tradition en de dikbuikige Bourguignonne. Rond 1886 werd de eerste semi-automatische glasflessen-blaas-machine uitgevonden door Howard Ashly uit Yorkshire. De maat was altijd hetzelfde, waardoor de kurk beter afsloot. Resultaat: wijn kon beter en langer bewaard worden.
De Engelse flessenmakers zorgden er ook voor dat de huidige standaardfles 0,75 liter is (25,3 oz). Die kreeg namelijk de definitie "one bottle".

Die nog immer meestgebruikte wijnfles is ook in Frankrijk basis voor inhoudsmaten:

Demi of Filette = 0,375 l
Bouteille = 0,75 l
Magnum = 1,5 l
Jéroboam = 3 l
Réhoboram = 4,5 l (niet meer gemaakt)
Mathusalem = 6 l (ook Impériale)
Salmanazar = 9 l
Balthazar = 12 l
Nabuchodonozor = 15 l
Melchior = 18 l

En omdat Frankrijk nu eenmaal een land is van eigenzinnige lieden met somtijds een bak lak aan regels, kom je her en der nog steeds afwijkende maten tegen. De wijn smaakt er niet minder om...

Labels: , , , ,

0 reacties:

Een reactie plaatsen

Aanmelden bij Reacties plaatsen [Atom]

<< Homepage